Toegepaste Ethiek

De ethiek heeft zich de laatste decennia explosief ontwikkeld in een groot aantal verschillende specialisaties. Een aantal hiervan zullen kort behandeld gaan worden in de komende maanden. In het algemeen kunnen in de praktijk verschillende ethische uitgangspunten van toepassing blijken te zijn.
Stephen Toulmin [ST-TR p161] geeft een interessant voorbeeld van een nationale commissie die de opdracht kreeg aanbevelingen te doen over het betrekken van jonge kinderen bij biomedisch en gedragsonderzoek. Er werd een hoge mate van consensus verkregen over aanbevelingen betreffende praktische kwesties. Er ontstond echter een groot probleem, Babylonische spraakverwarring toen het er om ging het waarom van die aanbevelingen te formuleren. Toen bleek het verschil in achtergrond van de leden onoverkomelijke problemen te geven. Naar mijn mening is de uitdaging van de toegepaste ethiek het zoeken naar consensus in conclusies voor praktische situaties vanuit verschillende theoretische benaderingen. 
    Daarbij kan met name de pragmatistische benadering een goede rol spelen omdat hierin de evaluatie. 

 

Milieu ethiek

Omdat problemen onderling gerelateerd zijn verstaan we in dit verband onder milieu  alle zaken die betrekking hebben op alle natuurlijke elementen, niet alleen die in de natuurlijke omgeving maar ook bv gedomesticeerde dieren.

Tot in de 19de eeuw was er nauwelijks sprake van een algemene ethische notie ten aanzien van de natuur in het algemeen of dieren in het bijzonder. In de filosofie speelde deze problemen niet. Descartes beschouwde dieren als machines zonder bewustzijn. Kant gaat in zijn ethische beschouwingen uitsluitend uit van de relaties tussen redelijke mensen. Wreedheid t.o.v. dieren hoort niet, omdat het tot wreedheid t.o.v. mensen kan leiden.
Het milieu als entiteit waarover nagedacht kon worden werd pas onderkend in de jaren 70 van de 20ste eeuw in eerste instantie door de zg environmentaltisten. Professionele ethisch- filosofische benadering volgde begin jaren 80.

Een bekende uitzondering: Leonardo da Vinci:
'Ik heb reeds in mijn jonge jaren het eten van vlees afgezworen, en eens zal een tijd komen dat mensen als ik de dierenmoorden met gelijke ogen bezien als men nu de moord op mensen beziet.

'De Dierenbescherming in Nederland werd opgericht in 1864, in 1886 werd het mishandelen van dieren strafbaar.

In deze ontwikkeling zien we een bevestiging van het uitgangspunt van de pragmatistische ethiek nl dat de ontwikkeling van denkbeelden, ethische ideeën vooruit gaat aan de daaraan gerelateerde  filosofische activiteiten. Juist omdat er op dit gebied geen sprake is van onveranderlijke historische wetten is een pragmatistische analyse op zijn plaats. Het pragmatisme ziet morele regels in hun context De analyse moet helpen de toepassing daarvan in de actualiteit te bepalen.

De ethische benaderingen in dit domein kunnen in twee hoofdgroepen worden onderscheiden:

  antropocentrische benadering

Gaat er vanuit dat de waarde van de natuur bepaald wordt door de mens.
Non-antropocentrische benadering / eco-ethiek
Gaat uit van een intrinsieke waarde van de natuur. Deze benadering is vrij recent in de jaren 80 van de vorige eeuw ontstaan.
Instrumenteel De waarde zou in principe in geld kunnen worden uitgedrukt maar dan moet de -mogelijke - waarde in de toekomst (en de esthetische waarde?) worden meegenomen. Dit betreft dan niet alleen de waarde van een prooidier voor het roofdier, maar ook de betekenis van het dier of de plant in het geheel van een ecosysteem.
Intrinsiek Dit komt min of meer neer op een vorm van esthetische waarde (zoals die van kunst). Eugine Hartgrove [hieronder] laat zien dat de subjectivistische non-antropocentrische benaderingen hier ook mee afgedekt kunnen worden aangezien het tot de menselijke validatie van de non-anthropocentrische benadering is. Die van andere levende wezens is niet toegankelijk.  De waarde voor het 'individu' om zijn bestemming te bereiken. Hierin is de mens te beschouwen als een element in de natuur dat zich dient te houden aan de maat van de natuur.


Antropocentrische benaderingen
Dit is intuïtief de meest gebruikelijke benadering. De meningen zullen evenwel uiteen kunnen lopen over het berekenen van de waarde met name als toekomstige waarden dan wel mogelijke waarden moeten worden meegenomen. Met toekomstige waarden kan gedacht worden aan het verlies van mogelijke medicijnen bij het verloren gaan van bepaalde soorten. Een wat algemene benadering die ook aansluit bij de christelijke ethiek is het gebruik van de uitdrukking 'goed rentmeesterschap'.Dit laat zich nader uitwerken als duurzaam beheer, ofwel geen roofbouw plegen.

Paul van Tongeren  benadert in Deugdelijk leven / Matigheid en Milieuzorg [PvT- p94 ev]  deze problematiek vanuit de deugdenethiek. Hierbij is het met name de deugd van de matigheid - een van de kardinale deugden - die in dit verband uitgewerkt wordt, niet in de vorm van abstracte universele regels want het gaat in de deugden ethiek om het bepalen van het juiste midden. Dat ligt tussen overmaat en ontzegging van genoegens [id. p106].  Aristoteles geeft ook aan dat het goed is mensen tot voorbeeld te nemen die men een dergelijke deugd toeschrijft. Dat zullen dan niet de verkwisters van natuurwaarden zijn maar ook niet de fanatieke activisten die niet meer autonoom afwegen maar slaaf zijn van hun idealen [id. p108]. Al heeft niet iedereen een goed voorbeeld, wel kan ieder zich een beeld vormen van een dergelijke veantwoorde midden positie. 

Eugene Hartgroove [EH-WAIV] claimt dat zijn 'Weak Anthropocentric Value' benadering de voorkeur verdient aangezien deze de meest plausibele 'subjectivistische non-anthropocentrische intrinsieke waarde' benaderingen omvat [p184]. Hij baseert zich daarbij op een waarde bepaling, zoals Paul Taylor deze definieert (zie hieronder), deze is ook te beschouwen  als een esthetische antropocentrische omdat het is toch uiteindelijk de mens die de waardering uitvoert. 

 

Non-anthropocentrische benaderingen

Paul W. Taylor introduceerde in zijn 'The Ethics of Respect for Nature' [PWT-ERN]het respect voor de natuur als het centrale element in een life centered system of environmental ethics 'dit als een tegenhanger van de gebruikelijke human centered systemen'.  De gebruikelijke human centered systemen baseren waarde op een instrumentele basis. De intrinsieke waarde definitie van Tailor stelt dat de waarde van bepaalde natuurlijke elementen wordt bepaald door het feit dat een menselijke waardegever: er van houdt, ze bewondert, ze waardeert voor van ze op zichzelf zijn en/of als onderdeel van een geheel.

Het hiermee samenhangende wereld beeld duidt Taylor als the  biocentric outlook on nature. Dit geloofssysteem  dat compatible is met de biologische wetenschappen kent 4 elementen:   mijn analyse:
  Deze benadering is interessant en ook wel sympatiek maar er is wel het en en ander tegen in te brengen:
1. De mens is lid van de aardse gemeenschap van leven. We zijn onderworpen aan dezelfde wetten van genetische selectie en adaptatie.   Doordat de mens andere mogelijkheden heeft voor adaptatie is er sprake van een zekere asymmetrie temeer daar de hier geïmpliceerde solidariteit niet wederkerig is.
2. Het aardse ecosysteem is complex en heeft veel interacties   Dit is inderdaad van groot belang en wordt veelal onvoldoende onderkent.
3. Elk individueel organisme wordt beschouwd als een teleological centre of life dat gericht is op eigen welzijn.   Inmiddels is onderkent dat het wat gecompliceerder kan zijn wanneer het voortbestaan van de soort wordt meegenomen
4. Ontkenning van de menselijke superioriteit: we kunnen geen objectieve criteria voor verdienste aangeven.   Wanneer de concepten algemeen aanvaard zijn zou er toch wel sprake zijn van een duidelijke verdienste, aangezien andere soorten niet vergelijkbare concepten hanteren.

Taylor besluit zijn introductie met de opmerking dat naar zijn idee het niet nodig is dieren en planten morele rechten toe te kennen  [id.p218] omdat de definitie respect voor de natuur een basis vormt van waaruit verder gewerkt kan worden. Het geeft daarmee nog geen oplossing hoe te handelen in geval van een conflict of interest.

 

Peter Singer stelt in 'All Animals are Equal' dat ontwikkeling van anti discriminatie van kleurlingen, homoseksuelen de logische volgende stap is de verbetering van de positie van dieren. Hij verwijst daarbij ondermeer dat in de vroege tijd van de strijd voor vrouwenrechten in 1798 dit werd afgedaan als een absurd idee. Hij citeert Jeremy Bentheim die als essentiële basis van de morele gelijkheid in zijn utilitaristische systeem definieerde: 'Each count for one and none for more than one' Dit concept hoewel soms met andere woorden weergegeven wordt onderschreven door alle moderne filosofen. Het is de basis voor elke zaak tegen racisme, seksisme en andere vormen van discriminatie. Dat wil ondermeer zeggen het is niet afhankelijk van intellectuele capaciteiten. Hoewel weinig hedendaagse moraalfilosofen dit doortrekken tot andere soorten citeert Singer wederom Bentheim die al ver vooruitkeek toen hij schreef: 'The day will come when the rest of the animal creation may acquire those rights which never could have been withholden from them but by the hand of tyranny'....The question is not can they reason? nor can they talk? but, Can they suffer?' [id. p221] Singer sluit zich hier bij aan en betoogt dat er sprake is van speciesisme - vergelijkbaar met racisme -  wanneer we ons beperken tot het menselijke ras. Vervolgens betoogt hij dat wanneer we geen mensen eten of ze voor pijnlijke of gevaarlijke medische experimenten gebruiken we dat ook niet mogen doen voor dieren die kunnen lijden en van het leven genieten. Zijn antwoord op de vraag: 'is het niet gerechtvaardigd een dier te laten lijden onder medicijn proeven om daarmee 1000 mensenlevens te redden' is de tegenvraag: 'als je dat niet bij een nog-niet-bewust-weeskind zou doen dan is het een vorm van discriminatie het wel bij een dier te doen [id. p224]. 

 

Filosofietuin        van Hans Tromp
Home